Contact
/
25.08.2025
/
5 min. leestijd
Ondernemingsrecht

De Hoge Raad geeft weer een nieuw lesje over het “opzeggen van duurovereenkomsten”

In een arrest van alweer een paar maanden geleden, heeft de Hoge Raad een nieuw lesje gegeven over het opzeggen van duurovereenkomsten. (Hoge Raad, 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763/ DPD tegen Get Moving en Bosch). In dit geval ging het om pakketbezorgers, maar een duurovereenkomst is een duurovereenkomst, of het nu om pakketjes of IT – diensten gaat en daarom is dit arrest ook van belang voor de IT-praktijk.

DPD liet door Get Moving en Bosch (“Get Moving c.s”) pakketjes bezorgen. Zij waren daarvoor in eind 2012/ begin 2013 een overeenkomst aangegaan voor 1 jaar die jaarlijks stilzwijgend werd verlengd. Partijen waren een wederzijdse opzegtermijn van 1 maand overeengekomen. DPD was niet tevreden over de kwaliteit van dienstverlening en heeft de overeenkomsten eind november 2018 opgezegd tegen 1 januari 2019. De overeenkomsten hadden dus zo’n 6 jaar geduurd. Get Moving c.s waren het niet eens met de opzegging en vorderden schadevergoeding voor onder andere loonkosten en ontslagvergoedingen: gemaakte kosten, hetgeen wat anders is dan een (hypothetische) vermogensvergelijking tussen de situatie waarin Get Moving c.s zouden hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis (de opzegging) was uitgebleven en de situatie die is ontstaan door die opzegging. Die vermogensvergelijking is de wijze van schadeberekening die de wet als uitgangspunt neemt in geval van wanprestatie.

De rechtbank heeft de vorderingen van Get Moving c.s afgewezen. Het Hof heeft dat vonnis vernietigd en de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. Daarbij heeft het Hof geredeneerd dat er een leemte in de overeenkomst zat die aangevuld moest worden: de samenwerking was in de loop van de jaren substantieel uitgebreid en partijen hadden eigenlijk de overeenkomst en meer in het bijzonder de opzegregeling daaraan aan moeten passen. Dat hebben ze (onbewust) niet gedaan. Op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6: 248 lid) komt het Hof dan tot de conclusie dat DPD een opzegtermijn van 3 maanden in acht had moeten nemen. Dat heeft DPD niet gedaan en daarom is DPD toerekenbaar tekortgeschoten en om die reden schadeplichtig. De hoogte van de schade moet dan volgens het Hof bepaald worden aan de hand van de vermogensvergelijking.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en geeft nog even “een lesje” over het verschil in de wijze van vaststelling van de schade in geval van een tekortkoming en in geval de opzeggende partij op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding moet betalen.

De eerdere belangrijke arresten over het thema opzeggen van duurovereenkomsten zijn Goglio/SMQ Group (ECLI:NL:HR:2018:141) en Leen Bakker (ECLI:NL:HR:2024:1709): aan een contractueel overeengekomen opzegtermijn kunnen op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid nadere eisen worden gesteld in verband met de aard van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval. Die nadere eisen kunnen zijn: dat er een zwaarwegende grond moet zijn, of dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat met de opzegging een aanbod tot schadevergoeding moet worden gedaan. Er kan ook een beroep worden gedaan op artikel 6: 248 lid 2: de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Die beperkende werking brengt mee dat een beroep op een overeengekomen opzegtermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en daarom een overeengekomen opzegregeling wordt “uitgeschakeld”. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is een hoge en in de praktijk moeilijk te nemen drempel.

Waar heeft het Hof dan toch een verkeerde afslag genomen volgens de Hoge Raad?

De Hoge Raad overweegt dat het Hof feitelijk de overeengekomen opzegtermijn van 1 maand had “uitgeschakeld”: een effect dat in principe alleen bereikt wordt via de route van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (of op grond van artikel 6:258 BW: onvoorziene omstandigheden). Maar het Hof had niet onderzocht of een beroep van DPG op de overeengekomen opzegtermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.

Beide wegen kunnen ertoe leiden dat de opzeggende partij schadeplichtig wordt. Maar de wijze waarop de schade wordt bepaald en dus ook de hoogte die kan worden vastgesteld, verschillen dan wel:

de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat degene die gebruik wil maken van de contractuele opzegtermijn, dat alleen mag doen wanneer hij daarbij een schadevergoeding aanbiedt. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding kan het in dat geval van belang zijn of de opzeggende partij een langere dan de contractueel overeengekomen termijn in acht neemt. En dan komt het nieuwe lesje van de Hoge Raad: Als een opzeggende partij geen schadevergoeding heeft aangeboden (wat in deze zaak het geval was), hangt, bij de route van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, de hoogte van de vast te stellen schade af van wat in de omstandigheden van het geval redelijk en billijk is. Het Hof wilde de schade echter vaststellen (in de schadestaatprocedure) op grond van de vermogensvergelijking. Dus vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwijst de zaak door naar een ander Hof voor verdere behandeling en beslissing.

Maakt het in de praktijk nu verschil? Jazeker: de hoogte van schade bepalen op basis van wat in de omstandigheden van het geval uit redelijkheid en billijkheid voortvloeien, is een veel meer open en subjectieve norm die door de rechter kan worden “gekwantificeerd” (en de nodige onzekerheid voor partijen meebrengt) dan de vermogensvergelijking die relatief objectief kan worden vastgesteld en meer schadeposten kan bevatten dan bijvoorbeeld alleen loonkosten en ontslagvergoedingen.

Lesje voor de praktijk: wanneer een samenwerking langer duurt/ gaat duren dan oorspronkelijk beoogd, neem dan na een paar jaar de afspraken nog eens onder de loep en bespreek of en waar aanpassing nodig of redelijk is. Beter de afspraken in eigen hand houden dan achteraf door een rechter laten invullen.