In een vorige week gepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Midden Nederland (Rechtbank Midden Nederland, 14 januari 2026 (publicatie: 11 februari 2026); ECLI:NL:RBMNE:2026:385), spelen twee thema’s waar in de IT- praktijk vaak misverstanden over bestaan en die verkeerd worden toegepast: met het gebruik van het woord “beëindigen” in een “beëindigingsbrief”, is niet duidelijk of een overeenkomst wordt opgezegd of ontbonden, wat een dure fout kan blijken. En: bij wie rust het auteursrecht op de “content” die is ontworpen voor een website, als daar al auteursrecht op rust?
Overeenkomsten kunnen op meerdere manieren tot een einde komen: door verloop van de overeengekomen tijd (bijvoorbeeld een detachering voor 1 maand), door volbrenging (de verkoop en levering van een woning) en door “beëindiging”. Dat laatste woord kan juridisch twee betekenissen hebben: opzeggen en ontbinden. Die twee rechtsfiguren hebben echter een totaal verschillende betekenis. In Engelstalige contracten onder Nederlands recht wordt daar ook nogal eens aan voorbij gegaan door alleen het woord “terminate” te gebruiken. Opzeggen kan meestal (maar zeker niet altijd!) straffeloos, zonder dat schadevergoeding verschuldigd is. Zo kan een overeenkomst van opdracht (dienstverlening) op grond van de wet te allen tijde door de opdrachtgever worden opgezegd (art. 7: 408 lid 1), tenzij anders overeengekomen. Ontbinden is een ander verhaal. Daarvoor is een tekortkoming en (in beginsel ook) verzuim nodig. Door de ontbinding ontstaat een ongedaanmakingsverbintenis (“geld terug/spullen terug”) en als dat niet kan: een waardevergoeding) en ontbindingsschade (de schade die geleden wordt omdat ontbonden wordt in plaats van nagekomen) waarvoor de schuldenaar aansprakelijk is. Stel er is 2 miljoen betaald voor een implementatie die uiteindelijk mislukt is en er is ontbonden, maakt het 2 miljoen euro uit of met “terminate” of “beëindigen” opzeggen of ontbinden is bedoeld.
In deze zaak komt de rechtbank tot de slotsom dat is opgezegd. Daartoe heeft de rechtbank de email waarin de overeenkomst werd “beëindigd”, uitgelegd. Kort samengevat stond in die email dat [gedaagde](de opdrachtgever) heeft besloten de overeenkomst te beëindigen vanwege teleurstellende resultaten, er niet tijdig door [eiseres] is opgeleverd en de frustraties bij haar eigen werknemers over [eiseres]. Dit moet volgens de rechtbank uitgelegd worden als een opzegging: geen geld terug dus. Na haar oordeel dat hier niet ontbonden was, heeft de rechtbank nog beoordeeld of er wellicht aansprakelijkheid was wegens een tekortkoming en verzuim op moment van opzeggen, maar daar was ook geen sprake van.
Dan het auteursrecht op de werken (huisstijl, vormgeving website) die eiseres voor gedaagde had ontworpen. Volgens eiseres maakte gedaagde daar inbreuk op. Gedaagde had na de breuk met eiseres een derde ingeschakeld om de website af te bouwen. Volgens eiseres komt de vormgeving van de website bijna volledig overeen met wat zij voor gedaagde had gemaakt. Eiseres vordert staking van de inbreuk en schadevergoeding (zo’n €14.000,-). Het ging hier wellicht om een principezaak want noch de hoogte van de schade noch het stakingsgebod zijn indicaties voor een bodemprocedure.
Om die inbreukvraag te kunnen beantwoorden, moet de rechtbank eerst vaststellen wat het werk precies inhoudt en of dat wel auteursrechtelijk beschermd wordt. De rechtbank komt tot de slotsom dat zij dat in dit geval niet kan beoordelen: daar is onvoldoende bewijs van overgelegd. Er is alleen een proces-verbaal van constateringen van een deurwaarder overgelegd en daarvan vindt de rechtbank, licht cynisch (sarcastisch?) uitgedrukt, dat niet de deurwaarder, maar de rechter zelf die beoordeling moet maken. Maar eigenlijk maakt dat voor gedaagde (de opdrachtgever) niet uit: als er al auteursrecht op het werk zou rusten, komt dat op grond van artikel 8 Auteurswet toe aan eiseres.
Gedaagde heeft in deze procedure een beroep gedaan op artikel 8 Aw. In artikel 8 Aw staat: “Indien eene openbare instelling, eene vereeniging, stichting of vennootschap, een werk als van haar afkomstig openbaar maakt, zonder daarbij eenig natuurlijk persoon als maker er van te vermelden, wordt zij, tenzij bewezen wordt, dat de openbaarmaking onder de bedoelde omstandigheden onrechtmatig was, als de maker van dat werk aangemerkt.” Het moet dus i) gaan om een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon; ii) Het werk moet openbaargemaakt worden; iii) er moet openbaar gemaakt worden onder naam van de organisatie plaatsvinden en iv) het mag geen onrechtmatige openbaarmaking zijn. De bewijslast over bij wie het auteursrecht berust, wordt verdeeld in het voordeel van de openbaarmakende organisatie. Nu gedaagde met de werken (huisstijl en vormgeving van de website) naar buiten is getreden, volgt uit artikel 8 Aw dat gedaagde de auteursrechthebbende is. De rechtbank verwijst hiervoor naar een arrest van het hof (Hof Den Haag 19 mei 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2747) waarin het hof heeft bepaald dat art. 8 Aw restrictief moet worden uitgelegd en alleen van toepassing is in opdrachtrelaties en niet in licentierelaties.
De rechtbank concludeert dat in deze zaak sprake was van een opdrachtrelatie. Gedaagde mag het werk blijven gebruiken, ook al is de overeenkomst geëindigd. Partijen kunnen wat anders overeenkomen, maar dat is in deze zaak niet vast komen te staan. Beide kemphanen vangen bot: gedaagde krijgt geen geld terug en geen schadevergoeding en eiseres kan geen auteursrechten claimen op de werken die zij voor gedaagde had gemaakt.