Contact
/
25.08.2025
/
7 min. leestijd
IT-recht

Softwareproject strandt: terugbetaling van drie ton toegewezen vanwege rechtsgeldige ontbinding

Op 11 juni 2025 wees de Rechtbank Midden-Nederland een interessant vonnis in een IT-zaak. Twee autobedrijven maakten in 2019 afspraken met een reclamebureau om de digitalisering van hun bedrijven te realiseren. In de conceptovereenkomst zouden een CRM en CMS-systeem, gekoppelde website en bijbehorende apps worden ontwikkeld (hierna: “de software”). Daarnaast zouden partijen ‘ieder bij helfte’ eigenaar worden van de broncode van de software om deze te exploiteren bij andere autobedrijven. Voor de ontwikkeling van de software betaalden de autobedrijven het reclamebureau een maandelijks bedrag van 8.200 euro. De partijen besloten vervolgens om zonder schriftelijke overeenkomst uitvoering te geven aan hun afspraken. Na vier jaar zetten de autobedrijven een definitieve streep door de samenwerking en ontbonden zij de overeenkomst buitenrechtelijk. De rechtbank diende zich te buigen over de vraag of de ontbinding rechtsgeldig was en het reclamebureau de door haar ontvangen betalingen zou moeten terugbetalen. Dit blog gaat in op de overwegingen van de rechtbank en belicht daarmee een aantal belangrijke principes uit het IT-contracten en procesrecht.

De kern: tekortkomingen, verzuim en ontbinding van de overeenkomst

Voor de vraag of er sprake was van een rechtsgeldige ontbinding, stelde de rechtbank eerst vast dat het reclamebureau tekort was gekomen in de nakoming van haar verplichtingen. Zo bleek uit de correspondentie tussen partijen en de verklaringen van de door de autobedrijven ingeschakelde ICT-deskundige dat de software vier jaar na dato niet werkend en/of niet volledig gerealiseerd was. Enkel de website was opgeleverd en deze functioneerde niet zoals afgesproken. Tevens stelde de ICT-deskundige vast dat de website een marktconforme waarde had van maximaal 25.000 tot 50.000 euro (tegenover de meer dan drie ton aan gefactureerde betalingen). Er waren daarmee aanzienlijke discrepanties tussen de werkelijk geleverde software en de gemaakte afspraken, aldus de deskundige. Ook werd het reclamebureau verzocht om (uiterlijk 8 september 2023) toegang tot de broncodes te verstrekken, maar dit weigerde zij. In haar verweer stelde het reclamebureau zich op het standpunt dat zij wel de afgesproken software had ontwikkeld en opgeleverd. Zij wilde echter de broncode van de software niet verstrekken waarmee dat had kunnen worden vastgesteld. Volgens de rechtbank hield het reclamebureau daarom ontbrekende gegevens achter, wat aan de zijde van het reclamebureau resulteerde in een verzwaarde motiveringsplicht om – tegen het verhaal van de autobedrijven – te bewijzen dat zij wel had opgeleverd wat was afgesproken (zie in dit verband: Finaal Adviesgroep, ECLI:NL:HR:2022:1058). Aan deze verzwaarde motiveringsplicht werd echter niet voldaan, omdat het reclamebureau haar dossier ongestructureerd had aangeleverd zonder onderbouwing van haar stellingen. De rechtbank benadrukte hierbij nog eens dat zij niet zelf op zoek mag gaan naar producties die de stellingen van het reclamebureau konden onderbouwen. Ook nam de rechtbank de bevindingen mee van de ICT-deskundige: deze had de aangeleverde producties van het reclamebureau wél beoordeeld en uit zijn verklaringen bleek dat de ordners met de screenshots enkel duidden op een ‘pitch’ van wat de software had kunnen worden, zonder dat de software daadwerkelijk in die hoedanigheid was opgeleverd. Nu er sprake was van meerdere tekortkomingen, diende de rechtbank voor de rechtsgeldige ontbinding te beoordelen te beoordelen of het reclamebureau in verzuim was geraakt. Dit was op meerdere gronden het geval. Ten eerste, hadden de autobedrijven in 2023 het reclamebureau schriftelijk in gebreke gesteld om de software te herstellen en de broncode aan haar te verstrekken. Ten tweede had het reclamebureau de gebreken niet hersteld noch de broncode gedeeld, waardoor de fatale termijn in de zin van art. 6:83 sub a BW was verstreken en zij van rechtswege in verzuim was geraakt. Tot slot, stelde het reclamebureau zich na de ingebrekestelling op het standpunt dat de autobedrijven niet eenzijdig de scope konden wijzigen. Op grond van de redelijkheid en billijkheid raakte het reclamebureau hierdoor ook in verzuim. De rechtbank mocht immers uit deze houding afleiden dat het reclamebureau haar aansprakelijkheid ontkende, en niet toereikend reageerde op het verzoek van de autobedrijven om de gebreken in de software te herstellen.

Geen verwijzing naar een schadestaatprocedure

Vanwege de tekortkomingen en het feit dat het reclamebureau in verzuim was getreden, achtte de rechtbank de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden. Het reclamebureau dient daarom de ontvangen betalingen van 342.938 euro terug te betalen aan de autobedrijven. Het reclamebureau had noch de waardevergoeding gevorderd, noch een beroep gedaan op verrekening. Hierdoor moest zij het gehele bedrag aan de autobedrijven terug te betalen. Ook de autobedrijven hadden onvoldoende gesteld voor een verwijzing naar een schadestaatprocedure. Zo was de schade door de autobedrijven onvoldoende geconcretiseerd. Voor de schade waarvan aannemelijk was gemaakt dat die wel was geleden, was het causaal verband tussen de schade en de verweten gedragingen van het reclamebureau niet voldoende onderbouwd.

Conclusie

De rechtbank heeft geoordeeld dat het niet delen van de broncode aan de autobedrijven een tekortkoming oplevert en tevens een grond voor verzuim wanneer er bij wijze van ingebrekestelling door het reclamebureau geweigerd wordt om deze te verstrekken. Nog daargelaten of het mogelijk is om, zoals afgesproken, ieder voor de helft auteursrechthebbende te worden van de software, blijkt er uit dit vonnis niet of er sprake was van een overdracht van het auteursrecht. Daarom is het onduidelijk waarom de broncode door het reclamebureau aan de autobedrijven verstrekt had moeten worden, zoals de rechtbank overwoog. Des te meer nu de autobedrijven ten tijde van het verzoek tot verstrekking van de broncode de overeenkomst niet ontbonden hadden, en uit dit vonnis niet duidelijk wordt op welke grond de rechtbank acht dat de broncode verstrekt had moeten worden. In het verlengde daarvan is het ook niet helder waarom het niet verstrekken daarvan een tekortkoming aan de zijde van het reclamebureau oplevert. Onzes inziens gaat de rechtbank daarom (te snel) voorbij aan het intellectuele eigendomsrecht op de software dat in deze zaak een rol speelt of had moeten spelen. Evenwel benadrukt deze uitspraak het belang van duidelijke afspraken in het ontwikkelen van software. Ook wanneer er niets op papier wordt afgesproken kunnen er – op basis van de gedragingen en correspondentie – bindende verplichtingen ontstaan. Wie als partij op het bewijs gaat zitten, dient van goede huizen te komen om het gestelde door de eisende partij te betwisten. Wanneer een partij zich verder beroept op de correcte nakoming van de afspraken, dient zij dat te onderbouwen aan de hand van concrete feiten en toelichtingen. Daarmee is bij het aanleveren van een stapel ongestructureerde producties zonder uitleg het risico dat de rechter aan die mogelijke bewijsstukken voorbijgaat. Een rechter mag immers niet zelf een zoektocht in producties mag ondernemen naar relevante stukken. Zorg daarom als softwareleverancier of als afnemer niet alleen voor een goed contract, maar ook voor een gestructureerd dossier dat onderbouwd wordt met heldere rapportages en voortgangsverslagen. Wanneer er rekening gehouden moet worden met de mogelijke waarde van de geleverde prestaties, zorg dan dat de feiten dit goed onderbouwen en vorder dit (in reconventie) of doe een beroep op verrekening (zie in dit verband: Derco, ECLI:NL:HR:2025:1156, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het enkel verwijzen naar stellingen waaruit zou moeten blijken dat de nodige werkzaamheden zijn verricht niet zien op een waardevergoedingsvordering). Tot slot, de rechter hoeft zonder een causaal verband tussen de geleden schade en de gedragingen van de aansprakelijke partij niet automatisch te verwijzen naar een schadestaatprocedure. Zorg daarom dat de schade voldoende geconcretiseerd is en het causaal verband tussen de schade en de verweten gedragingen voor de rechter helder is. Lees de volledige uitspraak hier.